“stedelijke overlevingsuitrusting VS verkopen overlevingsuitrusting”

Die 2 problematische punten beperken Schnitzlers aandacht wezenlijk tot de moraalpsychologische impact van ICT op individuen. Zo staat hij bijvoorbeeld zeer negatief tegenover wat hij datasubjectivisme noemt: het gegeven dat we onze zelfervaring herleiden tot een self-monitoring van onze gezondheid via feedback van allerlei sensoren die diverse aspecten van onze gezondheid meten zoals hartslag, bloeddruk, het aantal vandaag gezette stappen, suikerspiegel, slaapkwaliteit en eventueel snurken, enzovoort en deze dus omzetten in data die ons toelaten onze levensstijl eventueel te richten naar zekere standaarden. Dit moet dan een voorbeeld zijn van de neoliberale ideologie van persoonlijke verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van ons leven. Wie succes heeft, heeft dat uitsluitend aan zichzelf te danken, en wie pech heeft natuurlijk ook. Dat de beschikbaarheid van gezondheidsgegevens tot een obsessie met onze gezondheid en welzijn zou leiden is echter betwijfelbaar. Het kan ook onzekerheid wegnemen. De kwestie is dus analoog met het probleem van een dokter die bij een patiënt kanker vaststelt: wil de patiënt het weten of verkiest hij de onzekerheid in de hoop dat het allemaal niet zo erg zal uitvallen.
Van 1) tot 4) neemt de gradatie van ‘heropvoedbaarheid’ toe: de kans dus dat van de misdadiger een niet-misdadiger kan worden gemaakt. Bij positie 3) en 4) heeft ofwel het individu ofwel de ‘maatschappij’ als een reeks ervaringen die een individu meemaakt of ondergaat, vat op de maakbaarheid van mens en samenleving. Het ‘humanistische’ individu kan in handen nemen, het ‘marxistische’ individu kan in een maatschappelijke situatie worden geplaatst waar misdaad geen zinvol perspectief is en het criminele motief wegvalt (in het algemeen: door het sleutelen aan sociale ongelijkheden en wantoestanden). Opgemerkt moet worden dat in het ‘marxistisch’ standpunt de persoon en zijn lijfelijkheid deel uitmaken van de krachten die vorm geven aan de persoonlijkheid, maar het probleem blijft dat vooraleer maatschappelijke veranderingen en hervormingen effect sorteren, er op korte termijn ‘iets’ moet gebeuren met de probleemgevallen die de veiligheid en de integriteit van anderen bedreigen. Bij het ‘psychoanalytische’ individu ligt de basisstructuur van de persoonlijkheid bij tieners al vast: de ontwikkelingsgeschiedenis van het kind resulteerde reeds in een basismoulure, een neurotische, psychotische of perverte basisstructuur van in het leven staan en omgaan met anderen. Die basisstructuur kan nog nauwelijks bijgestuurd worden, maar een verschuiving van positie op de zogenaamd ‘aktual-psychopathologische’ as blijft mogelijk: van acting-out naar symbolisatie (b.v. in het spreken in de psychoanalytische kuur) en/of sublimatie. Die verschuiving kan ook gerealiseerd worden via politieke of maatschappelijke actie, m.a.w. door politieke maatregelen die de levenskwaliteit van de jeugddelinquent en van de jongeren (en meer in het algemeen de mensen) die in gelijkaardige sociaal-economische condities leven, gevoelig verbeteren. Het ‘neurobiopsychologische’ individu is het minst soepel: in de mate dat zijn genoom zijn fenotype (en dus zijn gedrag) determineert, is hij als dusdanig amper beïnvloedbaar door sociale en pedagogische maatregelen. Bij het ‘neurobiopsychologische’ individu is er in wezen een strikte theoretische scheiding tussen genetische bepaaldheid en omgevingsinvloeden, hoezeer men ook de mond vol heeft over interactie tussen beide.
Een intolerantie voor lager vibrationele dingen (van 3D) in conversaties, houdingen, maatschappelijke structuren, genezingsmodaliteiten, etc. Ze laten je letterlijk “ziek” voelen van binnen. Je bent in een hogere vibratie en je energieën zijn niet langer overeenkomstig. Je wordt voorwaarts “geduwd”… om te “zijn” en het Nieuwe te creëren.
Een schaduw bewoog boven hen door de mist en een engel materiali­seerde. Met onvermoede gratie dook het wezen naar de koepel en landde daar op een dicht kluwen uitsteeksels. Vanaf hun beschutte plek tussen een paar lage gebouwtjes zagen ze hoe de engel een klein figuurtje tussen de uitsteeksels propte en vervolgens vastmaakte.
Verder heb ik weer van mijn namaak Calippo’s genoten (schaaltjes met twee centimeter Cola of Sprite, en dan laten bevriezen in het vriesvak. Ook heb ik een winkeltje ontdekt waar ze ijsjes verkopen (bakken van een liter, diverse smaken, maar ook chocolade ijsjes en yoghurt-ijsjes die wel bijzonder lekker zijn.
In die gebroken toestand worden er dan hulpverleners over je aangesteld wat ook heel erg symbolisch en cryptisch is. De oude, valse identiteit gaat weg, en de nieuwe komt, en die moet dan opgevoed worden en er moeten nieuwe ‘relaties’ komen als verbindingen met nieuwe dynamieken. Het is dus de moeder en de bijmoeders van de gnosis die dan gemaskerd komen, dus soms moet je even door die maskers heenprikken, maar het zijn al dan niet cryptische boodschappen.
Voor het proces van afspraken maken kan deze bevrijding een zegen zijn daar relaties minder geteisterd zouden zijn door de eenzijdige druk van het waarderen van het vermogen tot consumeren, en meer door de werkelijke betrokkenheid van dienstbaarheid. Als de eer van de sociaal gezekerde niet langer wordt ontkend door de grotere profiteur, zal er voor de mensen meer zin zijn om afspraken te maken 
Bedoeling van de nieuwe structuur was de politie ‘dichter bij de burger te brengen’. En de politie kwam dicht, heel dicht. Kwam de burger vroeger in zijn dagelijks leven nauwelijks met de politie in aanraking, nu is de politie alomtegenwoordig. Ze staat overal klaar. Toegegeven: de politie bouwde inderdaad een aantal meer humanitaire taken uit, zoals slachtofferhulp. Bizarre perverte monsters worden psychologisch tactvol en zelfs met een merkbaar respect benaderd, zeker vergeleken met een doordeweekse allochtone winkeldief. En de selectiecriteria voor de aanwerving van politiemensen en ook hun opleiding zijn, in hun geheel genomen, meer afgestemd op een democratische en minder autoritaire opdracht. Maar met de toegenomen sociale ongelijkheid, gevolg van een beleid dat de economie quasi volledig teruggaf aan de vrije markt, kreeg de politie ook de belangrijke opdracht de potentiële criminalisering van achtergestelde bevolkingsgroepen te neutraliseren. Daarvoor moest er natuurlijk eerst en vooral politie zijn. Er kwam meer politie op straat (maar ook in de politiebureaus en ook in de huizen van de mensen)! Het hele land werd onder cameratoezicht geplaatst. En bedenken wij daarnaast dat er ondertussen in België anno 2006 ook 18.000 privé-bewakers aan het werk zijn. Zij mogen wettelijk gezien geen wapens dragen, maar het aantal overtredingen op deze regelgeving is legio.
Gewis hadden die contestanten met hun rechtsgevoel en in hun woede en machteloosheid rellen veroorzaakt, winkels en banken geplunderd en als zondebok een troep joden gelyncht en hun huizen in brand gestoken, indien de kerkelijke voormannen de gemoederen niet hadden kunnen bedaren door erop te wijzen dat de middeleeuwse super-theoloog Thomas van Aquino (1225 – 1274) dit dossier reeds deskundig had afgehandeld en een elegante oplossing had uitgedokterd. “Het lot van deze zielen is onbepaald”, zo luidde zijn geruststellend verdict. De zielen van ongedoopte gestorven kinderen verblijven ‘in limbo’ (Latijn ‘limbus’ = rand, zoom). Thomas voorzag in dat limbo overigens twee aparte hotels: het limbo van de kinderen en het limbo van de vaderen. In het limbo van de vaderen toeven de zielen van voorbeeldige gelovigen en heidenen die gestorven waren vóór Jezus’ verlossende Verrijzenis. Zo bijvoorbeeld de Oudtestamentische Job. (In Dante’s limbo vinden we o.a. Homeros, Euclides, Plato, Socrates, Cicero, Ovidius, Vergilius, Averroes en Saladin.) Die zielen wonen daar maar tijdelijk tot ze bij de Wederkomst van Christus zullen “gered” worden. (Oef! Dan toch finaal eerherstel voor die arme wegens goddeloosheid ter dood veroordeelde Socrates!)
Dit is de nieuwste versie van de weekend tas met twee draag riemen zodat je hem als een soort van rugzak kan gebruiken de oude versie had een draag riem voor over de schouder die nog wel veel in gebruik is in de dessert variant die het meeste voor een uitzending gebruikt wordt naar woestijn gebieden.
Dus kijk ik om te beginnen op dvd nog maar eens naar Death in Venice. Geen vervelendere en tegelijk spannender film als Death in Venice. Ha, zie: “Tell me: you know what lies on the bottom of the mainstream? Mediocrity!” Inderdaad, en zelfs aan de oppervlakte!
De eerste mentale voorstellingen zijn eigenlijk herinneringen (her-inner-ingen), waarnemingen die opnieuw ‘geïnd’ worden. Ze volgen zo snel op de gewaarwording dat ze er onmiddellijk mee worden geassocieerd. Neurologisch gesproken gaat het eigenlijk om hallucinaties, maar we zullen hier mogelijk verkeerd begrepen worden omdat hallucinaties gemeenzaam als pathologische fenomenen worden geduid. Maar zoals de cognitiebiologen Maturana & Varela terecht stellen kan het zenuwstelsel op zichzelf geen onderscheid maken tussen een waarneming en een hallucinatie: daarvoor hebben we de mening van een buitenstaander nodig. In onze ervaring is een hallucinatie even waar en werkelijk als een waarneming van een extern object of een externe gebeurtenis. Vandaar dat we dromen ook als werkelijk ervaren tot ons wakker geworden Ego (die eigenlijk een ‘buitenstaander’ is) ons moet teleur stellen of ons uit onze nare droom verlost. Dit hallucinatorisch karakter van de waarneming blijkt duidelijk als de voorstelling, onder bepaalde condities, ook voor ogen gaat schijnen op momenten dat het geziene niet aanwezig is. Niet alleen ziet men iets als er iets te zien valt, men gaat ook dingen zien wanneer er niets te zien valt. Deze herinneringen zijn iets anders dan het dierlijk geheugen waarbij we aannemen dat als een dier een bepaald gedrag als reactie op een prikkel herhaalt, hij iets geleerd heeft en in zijn geheugen heeft ‘gestopt’. Er is bij dieren echter van een ‘stoppen in een geheugen’ geen sprake, omdat het geheugen bij dieren bestaat uit het vormen van nieuwe sensomotorische connecties (zoals wij als dieren overigens ook kunnen), niet uit een voor hun ogen uitgestrekte ‘ruimte’ waarin voorstellingen opduiken.
Wat ik ervan kan zien is dat het de zwarte hond ervaring is. Ditmaal breekt de zwarte hond door de Saveer-wand, dat zijn een heleboel glazen wanden achter elkaar, dus zeg maar gerust een heel stelsel van wanden als een soort van doolhof van glas. Ja, vijf minuten muziek kan dit doen. De zwarte hond dreunt door je hersenen heen, door alle vliezen heen alsof er wat knapt, en dan ben je jezelf niet meer en kun je jezelf niet meer terugvinden. Het is heel dubbel, want juist waarvan je dacht dat het jezelf was was de opgelegde valse identiteit van het aardse identificatie systeem waarin je gewoon een nummer was met een opgelegd bewustzijn. Dus dat bewustzijn moet doorbroken worden, en dan voel je je even helemaal verloren, als tussen twee schepen of twee vuren in.
Met de speciale figuren in de stam (koning, rechter, priester, sjamaan, demiurg, maar bijvoorbeeld ook de vroedvrouw) onderhielden de stamleden een zeer ambivalente relatie. Eén voor één waren die figuren een monstre sacré: men voelde voor hen eerbied en vrees, maar ook jaloezie en afgunst. We kunnen dit nu nog bij veel Afrikaanse stammen waarnemen. Daar wetten en regels veelal op hen niet van toepassing waren, werden zij beschouwd als wezens die de kosmische orde verstoorden, als incarnaties van een ongeoorloofde transgressie: vandaar dat ze heilig waren en taboe. Zij belichaamden de Wet én de uitzondering op die Wet, het genot van de Wet én de onmogelijkheid van dit genot. Omwille van deze ambivalentie werden zij zoveel mogelijk gemeden en ze leefden eigenlijk buiten de gemeenschap. Dikwijls konden zij niet huwen (de mannelijke figuren mochten natuurlijk wel seksuele betrekkingen hebben met ongehuwde maagden, de vrouwelijke figuren werden geacht zelf maagd te blijven). Met andere woorden: zij die wisten wat het genot was, hadden geen toegang tot de normale sociale genietingen die de stamleden wel hadden. Het waren kortom tragische figuren. Al was er jaloezie in de wijze waarop zij door de stamleden werden beleefd, toch stond niemand echt klaar om hun positie in te nemen. In veel gevallen moesten ze worden aangeduid. In ons dorpsleven tot midden de 20ste eeuw blijft dit patroon van de speciale figuren min of meer overeind: de priester, de smid, de onderwijzer, de rijkswachter, de geneesheer, de wetenschapsman, enz. allen waren het tragische sociaal geïsoleerde individuen, met dikwijls wel een ongehuwde meid in huis. Zonder die sociale isolatie konden zij hun functie niet uitoefenen. Veelal werden zij door de gemeenschapsleden in natura betaald voor hun diensten, zoals de demiurgen vroeger door de gemeenschap werden onderhouden. Pas naarmate de Wet is onttoverd geworden door het democratiseringsproces van de laatste decennia, zijn deze speciale figuren menselijker trekken gaan aannemen.
Het verdriet dreigde haar te overmannen. Ze deed haar ogen open en liep resoluut over de drempel, de gang in. Sleutels op het gangkastje, zwarte mantel aan de kapstok, tasje achteloos op de vloer. Haar hakken tikten op het parket. Het geluid leek te echoën in de leegte van hun appartement. Wacht, háár apparte­ment. Ze was alleen.
Er is in onze samenlevingen een vreemde onzichtbare kracht aan het werk. Een kracht die wij blijkbaar niet kunnen lokaliseren, niet kunnen duiden, dus ook niet kunnen bestrijden. Die on(be)grijpbare kracht vraagt ons, eist van ons, op straffe van allerlei tastbare sancties, dat wij op elke situaties op een gepaste wijze reageren, reageren zoals het hoort, zonder dat iemand ons kan zeggen hoe het nu eigenlijk hoort. Die kracht vraagt ons nu eens te reageren zoals een dier dat gepast elke prikkel beantwoordt volgens een eigenlijk biologisch vastgelegd schema. En dan weer zoals een machine die gepast reageert op elke informatie die ze ontvangt, op basis van een vooraf vastgelegd programma dat de machine stuurt. Wie ons vraagt te reageren zoals het hoort, weten wij niet. Wij weten dat het ons Zelf niet is en ook dat het God eigenlijk niet is, maar wie dan wel? Het is ook de Maatschappij niet, want die zendt de meest uiteenlopende signalen naar ons toe. Die kracht vraagt juist dat wij ons in dat brouhaha van signalen toch correct weten te gedragen. Wie bepaalt wat hoort en wat niet hoort, heeft een kafkaiaanse allure: het is niet langer de Wet zoals die door koning of parlement wordt uitgevaardigd. En God, de God van de 19de eeuw die de wereld bestuurde – niet die van kardinaal Danneels – die God is geëuthanaseerd, zoals hij in zijn jonge jaren geschreven wilsbeschikking heeft gevraagd.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *