“wildernis overlevingsuitrusting wow overlevingsuitrusting”

De Stanley Adventure Vacuum Bottle is een lekvrije thermosfles, gemaakt van dubbelwandig roestvrij staal. De fles kunt u eenvoudig dicht of open draaien en de dop is tevens te gebruiken als beker. Dankzij de goed geïsoleerde binnenwand blijft uw drank tot 20 uur warm en gekoeld. Dit maakt de fles ideaal voor lange survival trips of andere avonturen
Waarbij ik onmiddellijk in mijn feilloze verbeelding de perverse associatie maakte met een passage die ik me herinnerde uit Gerard Reve’s debuutroman “De Avonden” (1947). De hoofdpersoon Frits, zo meende ik het me te mogen voorstellen, tilt ergens een baby’tje bij het hoofdje op uit zijn badje. Laps, lijfje valt eraf.
‘Ik leef al in het paradijs’, zei ik. Ik liet los. Een galmend geluid en uit de diepte van de koker een rood schijnsel. Het luik ging dicht en het beeld van de glad­gestreken man verdween. Een gevoel van opluchting trok door me heen. Ik keerde me om naar Tessa, die nieuwsgierig had staan toekijken. ‘Wat voor film was je eigenlijk aan het kijken?’
‘Geen goed idee,’ antwoordde ik hoofdschuddend. ‘Geen goed idee, echt niet, Jonas.’ Ik vertikte het ook om hem met meneer aan te spreken. Hij was gewoon Jonas, niks meer dan dat, de hufter. Ik zuchtte. ‘Dus jij wilt al die Marsdieren te voet op pad sturen? Ze gaan dagen, misschien wel weken moeten stappen om de afstand af te leggen naar Euphrat. Heb je enig idee hoe ver we al van de stad verwijderd zijn? Wat is je functie eigenlijk?’
De ganse geschiedenis van de mensheid is één kramakkige poging om van de natuurlijk gegeven aarde een leefbare en bewoonbare wereld te maken, precies door het aanbrengen van “kunstmatige verstoringen” van de evenwichten in de ecosystemen waarin wij moeten overleven en hopelijk ook mogen genieten van iets meer dat de filosofen, dichters en gewone volksmensen al eeuwen eenstemmig het “goede leven” noemen. En politiek is de kunst om die wereld (de polis) zo in te richten en herin te richten dat die gelukzaligheid van het goede leven binnen handbereik ligt. Alleen hebben we het tot nog toe steeds zo gearrangeerd dat slechts een kleine minderheid deelneemt aan de politiek en dat de rest moet rekenen op de goodwill en de barmhartigheid van de leiders die ze min of meer verplicht is te aanvaarden, wil er ook nog brood op de plank liggen.
Het offer van het opzij gelegde zaaigoed introduceerde vermoedelijk ook het mensenoffer: het offeren van een jonge maagd, maagd omdat de vrouw symbool is voor vruchtbaarheid, jong omdat het het jonge leven is dat uitgroeit tot een volwassen vruchtbare vorm die kan worden geconsumeerd (in de zin dat de vrucht, de kinderen dus, in de stam opgenomen kan worden). Voorheen het mensenoffer vermoedelijk onbekend, al zal men zich in tijden van hongersnood wel te goed hebben gedaan aan de lijken van pas overleden stamleden. Het offer, waarbij afstand gedaan werd van een leven met het oog op het voortbrengen van een veel grotere kwantiteit aan leven, veralgemeende zich echter tot een gebruik waarbij men allerlei toekomsten anders dan de vruchtbaarheid van de grond wou afdwingen van de soms weerbarstige goden. Daarbij zal een vorm van operante conditionering hebben gewerkt zoals die zich bijvoorbeeld vormt bij een gokverslaving of een bijgeloof: het offer werkte soms en dat was voldoende om het offer te herhalen. De pijnlijkheid van het mensenoffer werd geneutraliseerd door het strikte ritueel waaronder het plaatsgreep. Het offer kreeg mogelijk ook het verlengde in de zelfmoord, in de zelfopoffering, waarbij men bij het aanrichten van onheil de stamgemeenschap voor nog groter onheil wou behoeden. En het zou in de moderne tijd de vorm aannemen van het zelfmoordterrorisme waar wij heden ten dage zo door worden gefascineerd. De zelfmoordterrorist wijst ons immers op de mogelijkheid van een verzet, een mogelijkheid die wij kunnen verklaren, desnoods begrijpen maar voor onszelf (voor ons als weldenkende mensen) moreel niet in overweging kunnen nemen.
Kort daarna, voordat ze zou gaan studeren, gingen we voor de laatste keer met het hele gezin op vakantie naar Texel. Daar, op het strand bij de Slufter, nam ik stiekem enkele foto’s van mijn gezin terwijl we naar schelpen zochten en de hond blaffend tegen de golven tekeerging. De mooiste schelp namen we als souvenir mee naar huis.
Mijn onmachtige voorgangers hadden zich bezig gehouden met de herverdeling van de schamele resten, binnen de grenzen die Mook ze had opgelegd. Ik dachten denkgroter. Een einde aan de afhanke­lijkheid van de slinkende voorraden; een einde aan de macht van de Mast, aan Mooks monopolie op de resterende olie.
De paracord overlevingsriem wordt elke dag gebruikt, waar een zware riem nodig is om je broek vast te houden! de unieke weefpatronen van twee snaren van paracord laten de riem meer instelbaarheid in plaats van de vijf gaten of de aanpassingsbereik
Harbrand hief juist zijn zwaard om het hoofd van de ongezeglijke Aochaid te klieven, toen een woest geraas en gedender hem opzij liet kijken. Uit alle hoeken van het met stenen fragmenten bezaaide land verhieven zich grote brokstukken. Ze schoten door de lucht naar één plek ergens bezijden het pad, tussen het gezelschap en de Toren: hier een onderarm, daar een stuk tors, een vinger of gebeeldhouwde mantelplooi. Met grote klappen dreunden de fragmenten op elkaar, als getrokken door een onzichtbare, maar onweer­staanbare steenmagneet. En zo vormde zich razend­snel een bijna twee keer manshoge, mismaakte gedaante, samengesteld uit de resten van die niet te tellen beelden uit een magische, vaag bekende oudheid. Een soort reus was het, een travestie en schampere nabootsing van het ras van Gogmagog dat ooit deze landen onder zijn stappen had laten schudden. Hij vormde, hoewel uit antropomorfe frag­menten samen­gesteld, een nauwelijks menselijke gestalte; niets dan een lukrake opeenstapeling van voeten, haar­lokken, neuzen, knieën, handen, schoei­sels, geslachts­delen en wenkbrauwen in ern­stige frons, met de grootste moeite door de natuur­krachten samen­gebald tot een gestalte met twee been­achtige zuilen, een bultige tors, twee armachtige uitstul­pingen en iets wat een hoofd zou kunnen zijn. Aan deze groteske figuur ontsteeg, zodra hij min of meer was voltooid, een diepe, petroïde kerm als uit een spelonk, alsof het kunstwezen zijn eigen ontstaan met het uiterste leedwezen begroette en vervloekte.
Nieuwsbrief 20 11 februari 2014 Oranjestraat 28, 7681 DN Vroomshoop, tel: 0546-642137 Van de directie Beste ouders, Deze week is het een spannende week voor de leerlingen van groep 8. De Citotoets wordt
Pas toen de chauffeur aanstalten maakte om te vertrekken, stapte Samuel uit de bus. De tas met kleding en foto’s van zijn familie woog zwaar op zijn rug. Het was raar, zodra hij zijn herinneringen terug had, kon hij niet wachten om weer in het dorp te zijn. Er wachtte hier zoveel op hem. De mensen die hij zoveel jaren geleden achtergelaten had, zijn werk, zijn lievelingsplekjes. Hetzelfde zonlicht als waar hij in dit leven geboren was, al klopte dat niet helemaal. In Weerzel voelde de zon warmer aan, troostend. En misschien stond ze deze keer wel op hem te wachten. Die hoop dreef hem altijd terug naar het dorp, maar deze keer klopte er iets niet. Was het eindelijk tijd voor iets anders? Een andere plek om te wonen, een andere baan. Eindelijk de belofte achter zich laten. Dat had zij ook gedaan, overduidelijk. Of was ze een hij die eerste keer? De herinnering kwam traag, zijn lichaam was nog jong, zijn hersenen nog niet helemaal volgroeid, dus dat was niet verwonderlijk. Nee, de eerste keer dat hij haar zag, was ze een vrouw. Daar, een beetje verderop. De huizen hadden de velden nog niet overgenomen in dit deel van het dorp. Het graan was rijp, de zon brandde en zij liep in een wit jurkje langs de velden. Blootsvoets, besefte hij opeens; de herinnering deed hem glimlachen. Wilde bloemen in haar haar en een glans in haar ogen die hij in al zijn levens nog niet gezien had.
Zo worden we met een zekere vaste regelmaat om de oren geslagen met verhalen van mensen die in de duisternis van hun bestaan het Licht hebben gezien, in de vorm van een dubbele regenboog, een idool, een halfgod of een echte God, die hen heeft geopenbaard hoe ze hun levenszaken dienen aan te pakken en dat dan ook met alle succes doen. Een openbaring die hen de kracht geeft om in hun lijden of tegenslag toch te volharden en door te zetten, de moed niet op te geven. Die hen de “juiste weg” heeft gewezen. Waarvoor uiteraard alle dank en bereidheid tot onderdanige en eerbiedige wederdienst! Zo herinneren we ons de recent opgevoerde beelden van een bruut, haatdragend en agressief uitziende tot inkeer gekomen “moslim-geradicaliseerde” die zich met het schuim op de mond inzet om via de edele bokssport alle geradicaliseerden van alle continenten te de-radicaliseren.
Zo ontstaat ruimte voor een psychische instantie die ons gedrag over ruimte en tijd gaat coördineren en van consequentie voorziet. De ‘persoonlijke god’ zegt welke particuliere doelen we moeten nastreven, terwijl het nog altijd andere gemeenschappelijke goden zijn die ons bijvoorbeeld zeggen hoe we ons lichaam moeten verzorgen. Vandaar dat iedereen behept blijft met ‘universele’ begrippen van Goed en Kwaad en zich houdt aan de Wet, maar in sommige omstandigheden toch vindt dat hij of zij die Wet mag overtreden, te meer daar er op die Wet hoe dan ook altijd een uitzondering is, nl. ‘Nood breekt Wet’. Onze ‘persoonlijke god’ komt dus dikwijls in botsing met ons ‘moreel gevoel’ en om die botsing te vermijden gaan we proberen consequent te handelen, ons dus zoveel mogelijk onafhankelijk te maken van ruimte en tijd. Zo schrijft onze persoonlijke god, ons Zelf ons dagelijks handelen in in een levensloop. Tot op grote hoogte geldt deze situatie vandaag nog altijd, al spreken de ‘goden’ nu via boeken, DVD’s en televisie. In de persoonlijke identiteit kwamen aldus verschillende aspecten samen. In de eerste plaats de naamgeving die verwees naar de verwantschapsfamilie of clan. Deze naam sloeg op het levende lichaam en de persoon gebruikte zijn naam als aanduiding van dat lichaam: ‘Lachende Wolf gaat slapen’ (en niet ‘ik ga slapen’). Het is niet toevallig dat het Grieks en het Latijn (en veel andere oude talen) geen persoonlijke voornaamwoorden gebruiken: de vervoeging van het werkwoord was voldoende om aan te geven wie een handeling verrichtte of een beweging uitvoerde of onderging. Persoonlijke voornaamwoorden werden alleen gebruikt als de betrokkene extra benadrukt moest worden en ze verwezen dan naar de lichamelijke eenheid van de spreker of aangesprokene, niet naar een psychische instantie die nu als het Ego wordt aangeduid. Ten tweede werd men benoemd volgens de categorie waartoe men behoorde, dus volgens geslacht of leeftijd. Ook de bijzondere functie binnen de stam als men die had natuurlijk (het ‘beroep’ dus, bijvoorbeeld sjamaan, priester, vroedvrouw of later smid, geneesheer, enz.) leverde een naam aan een persoon. En ten derde de ‘persoonlijke god’, het Ego als de motor van iemands handelen. Deze motor waardoor men persoonlijk controle kreeg over zijn handelingen, ging later ook impliceren dat men beschikte over een ‘vrije wil’ en dat men psychisch en juridisch ‘verantwoordelijk’ was voor zijn gedrag. Het handelen vond zijn oorzaak in het Zelf van de persoon, in de wijze waarop hij met zichzelf overlegde. Het Ego of Zelf is dus niets meer dan een zelfdialoog die men zoveel mogelijk consistent wou houden: in die zin werd het Ego min of meer permanent. Het Ego is in die zin dus ook maar een slide-in tussen de waargenomen situatie en het handelen (of niets doen). In het Boeddhisme is het Zelf, het Ego nog altijd een vluchtig gegeven dat komt en gaat. De ‘persoonlijke god’ was vooral belangrijk voor mensen die beslissingen moesten nemen en keuzes moesten maken, leidinggevende figuren dus en demiurgen (‘mensen die voor de gemeenschap werken’, zoals ambachtslieden, werktuigmakers en sjamanen), en dat waren historisch gezien voornamelijk mannen.
Eens te meer voelde hij zich nietig en onbetekenend. Hij begreep de woorden van zijn moeder. Eens gaan we allemaal. Mensen, dieren, bomen, de Aarde, de zon, melk­wegstelsels en sterrenhopen. Maar diep van binnen brandde een vuur, een noodzaak om zijn bestaan voort te zetten. Als ik ooit nog kinderen krijg, zullen ze de Aarde met respect leren behandelen.
Doken herinneringen soms ‘spontaan’ op, men kon de herinnering ook actief oproepen door zich te concentreren of door gebruik te maken van een hulpmiddel, een effigies of evenbeeld in hout of steen. Een effigies is een metafoor (iets wat op het reële gelijkt, zoals de afbeeldingen in de grotten van Altamira en Lascaux), maar de herinnering kon ook opgewekt worden door een metonymie (iets wat aanleunt bij het reële, zoals bijvoorbeeld het gewaad of het huis van een overledene). Metaforen en metonymieën fungeren dus als een soort ‘fetisj’: etymologisch is het woord ‘fetisj’ dat uit het Portugees stamt, overigens verwant met de fi- wortel van ‘effigies’, zoals in het Latijnse ‘fio’, ‘ik word’, ‘facio’, ‘ik maak’ en ‘fingo’ of ‘effingo’, ‘ik boetseer, ik vorm’ of ‘ik beeld uit’). Later zou op die manier ook op basis van afbeeldingen het pictografisch schrift ontstaan (zoals het Chinese beeldschrift en de Egyptische hiërogliefen), waaruit zich dan nog vele eeuwen later ons letterschrift heeft ontwikkeld. In plaats van in hout te kerven, ging men op een rol papyrus krassen (‘schrijven’, Latijn ‘scribere’ = krabben, schrijven; zoals het Griekse ‘grafô’ = kerven, schrijven). Het zelf oproepen van herinneringen (al of niet met behulp van een effigies) kon lustvol zijn: de lustervaring kwam ongeveer overeen met de omgang met een reëel lustvol object). Vandaar onze tegenwoordige obsessie voor het maken van foto’s van al wie we kennen, van alle gebeurtenissen die we hebben meegemaakt en van alle plaatsen waar we geweest zijn. Spontane herinneringen konden echter ook pijnlijk zijn (‘kwade geesten’), zoals de herinnering aan het gegeven dat men door iemand vernederd of geslagen is geweest. Om zich te beschermen tegen kwade invallen ging men amuletten gebruiken, om een blij gemoed op te wekken werden talismans aangewend.
Alles wat aan bepaalde vormen en agenda’s van dualiteit en oppositie verbonden is.  Dit zal in sommige opzichten beginnen in elkaar te klappen.  Dit zal beginnen met de Onthulling van de illusies en het feit dat deze benaderingen niet werken.
Als ik een klein project financier, van hooguit enkele honderden euro’s kan ik er nog op toe zien en het eventueel bijsturen, al is dat niet makkelijk. Veel mensen en met name de “artisans” van het ziekenhuis, dat zijn de timmerman, de metselaar, de schilder, de loodgieter en zo, zijn onvoorstelbaar lui en gemakzuchtig en hebben naar Nederlandse begrippen absoluut geen liefde voor hun vak, zijn ook niet trots op hun beroep en leveren vooral gepruts en knoeiwerk af als ze al gedwongen worden iets te doen. Ze zijn niet vooruit te branden omdat er geen enkele sanctie bestaat: ze worden door hun meerderen niet eens aangesproken op hun gedrag, laat staan dat ze ooit ontslagen zouden kunnen worden. Je kunt hier dus niet even vlug een paar WCs op de poli verloskunde netjes laten maken door alleen maar ergens 200 euro op tafel te leggen. Nee, je moet alles steeds weer nalopen, anders staat het werk weer stil.
krant/reageer op www.de-eenling.nl 2 nr. 1 september oktober MATTHEUS 6 VERS 26, 34 BY AUTHOR NAME “Mijn eenzaamheid is anders.” Mattheus 6 vers 26, 34 26 Aanziet de vogelen des hemels, dat zij Bussum – Krystyna Piotrowska woont 22 jaar in Nederland. Zij spreekt zeer niet zaaien, noch maaien, noch ver- goed Nederlands. Ze is Poolse en komt uit de stad Poznan. Haar leven heeft zamelen in de schuren; en uw hemelse veel verschillende gezichten gekend. Ze heeft in Polen een universitaire Vader voedt nochtans dezelve; gaat opleiding afgerond. “Nederlanders kunnen arrogant zijn. Ze denken minder- gij dezelve niet zeer veel te boven? waardig over een universitaire opleiding in Polen en gaan er vanuit dat ik desti- jds uit economische motieven naar Nederland ben gekomen.” 34 Zijt dan niet bezorgd tegen den Een idee om in Nederland in te “Ik ben opgevoed in het Polen dat morgen; want de morgen zal voor het voeren? onderdrukt werd door de Sovjet Unie. zijne zorgen; elke dag heeft genoeg We hadden een regering buiten Polen aan zijn zelfs kwaad. “Mijn middelbare schooltijd zat ik in en een aangestelde door Moskou. Het een Sacre Coeur kostschool. Ik ben van huis uit katholiek. De nonnen waren was een socialistische staat. Mensen geen monsters, er gebeurden geen ver- denken dat het een hel was en in Oost werpelijke dingen, ik volgde daar het Europa denken ze dat het een paradijs Gymnasium. Ik was rebels, wou daar in Nederland is. Beide zijn niet waar. Bedrijven betaalden vakanties voor hun niet zijn. God heb ik daar nooit kunnen vinden. Katholicisme is voor mij meer werknemers.” kerkwetten en lithurgie, de gewoonten Je kwam 22 jaar geleden naar Ned- en rituelen. Ik had altijd heimwee. Elke twee weken mochten we een weekend erland. naar huis, mits je je goed gedragen “Ja. Het huwelijk met mijn man was had. Ik ben elitair en idealistisch niet goed. Een tijd waarover ik niet wil opgevoed. Mijn mogelijke aanpassing praten. Ineens zat ik in een wereld naar de maatschappij heeft daardoor waar ik niets vanaf wist.” niet tot wasdom kunnen komen. Ik was er gewon van vervreemd.” Goed. Toen begon je leven waar- Was het niet mogelijk god te “Ja. Na de scheiding was ik van de ene vinden? op de andere dag alleen. Ik leefde in “Jawel dat wel. De omgeving en leiding een andere cultuur. Ik sprak nog te blokkeerden dat niet met ontmoedi- weinig Nederlands. Begrijp me niet gend gedrag. Ik was er enkel niet klaar verkeerd, ik was blij verlost te zijn en voor. Mijn beste vriendin vond god, ik dat ik eindelijk mezelf kon zijn. Instan- was tegendraads, of die neiging had ik. ties waren voor mij totaal onbegri- Nog steeds is ze streng gelovig. Ze is jpelijk en ondoorgrondelijk. Angstig en BERG BEKLIMMER heel dapper, woont in een groot huis, onzeker over wat te doen. Ik had met paarden, en is zowat een non.” weinig sociale contacten. Toen begon mijn eenzaamheid. Maar voor mij is MARTIJN SEURER God overal.” Anders dus “Ja, het is niet zoals anderen eenzaam STERFT IN DE BERGEN kunnen zijn. Ik ben hier ontheemd. Dit Hoe pakte je het aan? is niet mijn cultuur. Ik mis vaak de diepgang. Mijn wortels zijn niet van “Ik realiseerde me dat hoe goed ik ook Hij zei altijd te sterven in de bergen. hier. Momenteel zie ik best regelmatig naar een mens kan zijn, het toch altijd Zijn gedachte is uitgekomen. De Ned- mensen, toch als ik thuis ben dan voel wel een bepaalde onrust had om ger- erlandse bergbeklimmer viel op 22 juli ik me eenzaam. Het maakt me verdri- aakt te worden. Ik hou nog steeds van 2015 op de Mont Blanc 300 meter naar etig. Door het leven ben ik in mensen mensen en de roeping mensen te beneden. Recentelijk had hij nog teleurgesteld geraakt.” helpen is er nog steeds toch wilde ik gezegd: “eigenlijk ga ik er vanuit in de iets anders. En toen begon ik te bergen te sterven. Ik hoop het niet, Heeft het geholpen? denken aan iets hogers. Een liefde die maar als het gebeurt, heb ik tenminste mij liet zijn zoals ik ben. Ik besloot mijn passie gevolgd.” “Ja, overigens mijn vriendin heeft het afstand van de katholieke kerk te me uiteindelijk vergeven dat ik nu nemen en me te wenden tot de protes- De Bredenaar verbleef het grootste Protestant ben. Ik heb er contacten tantse leer. De protestantse manier is gedeelte van het jaar in de bergen. Hij opgedaan. Elke week drinken we een meer van God, Jezus en de bijbel. Het wilde in de Alpen alle 82 bergen van kop koffie en praten nog wat na de schrift. Het heet bij ons ook een 4000 meter of hoger te beklimmen. De dienst. Ik heb een wandelmaatje. Het dienst en niet een mis. Elke zonda- Koninklijke Nederlandse Klim- en is fijn om iets hogers te geloven. gochtend ga ik naar de dienst. Ik zoek Bergsport Vereniging meldde dat hij Geven geeft het leven zin. Ik mis een god op mijn manier. De bijbel is erg aan zijn laatste klim bezig was. De familieleven, iemand die thuis op me mooi, mensen zouden het moeten feestelijkheden om het heugelijke feit wacht.” lezen.” te vieren waren al in voorbereiding. …………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….
Als ik dat wilde voorkomen, kon ik mijn bezoeker maar beter niet te woord staan. Ik zuchtte diep. Het was niet de eerste keer dat dit me geflikt werd. De vrouw die ik destijds had gesproken, had erom moeten lachen. De computers hadden nog steeds moeite met kunstenaars, was haar verklaring. Die begrepen ze niet. Ik besloot het risico op nog zo’n afspraak maar te nemen. Als ik weer aan dezelfde psychiater werd toe­gewezen, zou dat geen enorme ramp zijn.
Onze aandacht zal hier dus in de eerste plaats gaan naar de enorm toegenomen rol van de visuele waarneming en haar rol in de ontwikkeling van het denken. Wordt het oog bij de primaten steeds belangrijker, bij de mensen zal het gezichtszintuig de reuk bijna helemaal verdringen. In een donkere ruimte kunnen we ons weliswaar op de tast oriënteren, maar in het dagelijks leven zijn onze ogen steeds onverminderd actief: elke identificatie van een voorwerp en elke duiding van een gebeurtenis gebeurt in laatste instantie op basis van visuele informatie. Als we een plots geluid horen, dan kijken we onmiddellijk in de richting van het geluid; als we een vreemde geur waarnemen, dan gaan we kijken wat er loos is. Het woord ‘zien’, zoals ook ‘zeggen’ (wat de samenhang tussen zicht en spraak bevestigt), komt van een Indogermaanse wortel sekw ‘volgen’ (Latijn ‘sequi’, Engels ‘sue’, Frans ‘suivre’; Latijn ‘secundus’ en Frans ‘second’ = de volgende, de tweede). Zien betekent dus eigenlijk ‘met de ogen volgen’ (de beloerde prooi of een spoor van een dier op de grond). Zien staat centraal in al onze menselijke mentale activiteiten. Het woord ‘weten’ (en dus ook ‘wet’, ‘wijs’, ‘wis’ in wiskunde, ‘wijten’ en ‘verwittigen’) is Indogermaans voor ‘zien’: Indisch ‘veda’, Gotisch ‘witan’, Latijn ‘videre’, Grieks ‘idein’ waarvan ‘idee’ (aanblik, voorstelling). Het belang van zien in onze mentale architectuur wordt geïllustreerd door termen zoals inzien en inzicht, doorzien, overzien en iemand ontzien. Het woord ‘gezicht’ is hetgeen we samen zien (het prefix ge- wijst steeds op een gemeenschappelijkheid of een collectiviteit, ook van voorwerpen, zoals in ge-berg-te). Als we naar elkaar kijken, zien we ook elk een gezicht (al zijn we later in de geschiedenis en na het uitvinden van spiegels tot het besef gekomen dat we elk een heel eigen gezicht hebben). Het zal u opvallen dat we in deze context en vermoedelijk in mijn ganse betoog nog geen enkele keer het woord ‘intelligentie’ hebben gebruikt. Inderdaad, een overroepen woord. Intelligentie betekent in oorsprong selectief verzamelde inlichtingen: dat dus wat de Britse Intelligence Service en onze Inlichtingendiensten doen. Intelligent zijn is dus het inwinnen van de juiste inlichtingen (maar wat juist is, weet je natuurlijk pas achteraf). Het is niet meer dan het inwinnen van relevante informatie. Is dat erfelijk? Uiteraard niet! Maar je moet er wel hersenen voor hebben natuurlijk en best hersenen die connecties en verbanden kunnen leggen tussen verschillende informatiebronnen: en de materiële basis van deze hersenconnecties is uiteraard voor een deel erfelijk. Iemand die uit de combinatie van een knal en een brand besluit dat er een aanslag is gepleegd, zullen we maar matig intelligent noemen. Je zal pas echt intelligent genoemd worden als je ook iemand op een verdachte manier zag wegrennen én als naderhand blijkt dat het inderdaad om een aanslag gaat. Ik zie dus intelligentie niet als een afgebakend denkproces dat van andere minder intelligente denkprocessen (zoals een ‘dwaling’ of een ‘waan’) kan afgezonderd worden: we doen steeds beroep op informatie om tot een duiding of een handelingsbeslissing te komen, ook bij een waan. Intelligentie berust bovendien steeds op de kwalificatie van de denkhandeling door een ‘derde’ (ouder, leraar en dergelijke; desnoods je eigen Ego). Iemand intelligent noemen is een moreel oordeel.
Af en toe waait het behoorlijk. Soms is de lucht lei-blauw. Soms is er onverwacht nu al een regenbui, al een keer of vijf in een maand. Maar nu is er ineens geen water meer in mijn huis. Niemand kan me precies uitleggen waarom, maar ik moet me nu redden met een paar emmer water per dag. Inmiddels vijf dagen
De heuvels waaronder Eindhoven lag, strekten zich tot de horizon uit. Vanaf de heuvel die hij vorige keer beklom, kon hij heel in de verte het lijntje van de zee zien, ver weg, maar wel zo dichtbij dat een hoge vloed de stad zou raken. Als er nog iets onder het Sciencepark ligt, dan is dit echt de laatste kans. Van binnen voelde het als een soort lotsbestemming dat hij juist op dit moment op zoek ging naar het kweeklaboratorium van De Philips om uit te vinden of hij de vermoede kostbare apparatuur kon redden. Zijn verstand vertelde hem dat de kans klein was, de mogelijkheid dat niets meer werkte groot, maar zijn hart, dat hoopte op een wonder, sprak harder tegen hem.
Jonas Grimpeerd gromde van diep achter in zijn keel, een grom die echter in een allervriendelijkste glimlach eindigde. ‘Ik ben directeur van de onderzoeksafdeling van de onafhankelijke controledienst op bodem­ont­ginning van het Arabia Terra Kwadrant.’
Hoe jullie het lezen is niet mijn schuld. Zoals ik zei mijn waarheid is mijn waarheid ik ga daar niet moeilijk over doen ik geloof dit.. Ga mijn excuses er niet voor aanbieden. Ik ben verantwoordelijk voor wat ik zeg, niet voor wat jullie horen of hier opvatten.. Sorry als ik iemand beledig
Je moet zeker in gedachte houden dat hoe high tech je uitrusting ook is en hoeveel kennis je ook bezit, als je conditie niet op punt staat zal je in een overlevingssituatie heel wat meer ellende op je nek krijgen.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *