“bug out tas overlevingsuitrusting eindtijdoverlevingstoestellen”

Er was geen strategie bedacht voor het meedelen van de bloeddruk aan de mensen en wie moest terugkomen bij een dokter. De bloeddrukken waren in het eerste uur wel gemeten en opgeschreven maar hoe iedereen zijn bloeddruk aan de weet moest komen was onbekend.
De jongen sprong van de steiger en redde de buit die de monnik van de overkant had meegebracht. Hij waadde terug en zwaaide het pakket opgetogen boven zijn hoofd. Op de steiger vouwden de kinderen het gretig open, om de schat te zien die hen misschien eindelijk wat geluk zou brengen. En ver weg, in de Hal van Offa, koningin Drida plots haar ogen open en haar bovenlijf rees steil omhoog uit het bed dat zolang haar gevangenis was geweest.
De zon is nog maar net op, maar Mackie heeft zich al aan boord van de Baal laten takelen. Het geteerde zwarte hout van deze zeewaardige kraak contras­teert met de bleke ornamenten die overal het schip opluisteren. Scrimshaw, gesneden uit de botten en tanden van walvissen. Het zijn gedetaileerde en verfijnde beeldhouwwerken die octopussen en andere zeemonsters weergeven. Ongekend is het aantal manuren dat hieraan besteed is, krassend met een scherp mes of beitel, in dat harde tand en bot. Maar Mackie krijgt geen tijd om de details in zich op te nemen want de bemanning van vissenkoppen verdringt zich om hem van dichtbij te bekijken, alsof hij de curiositeit is en niet zij. Gedrochten met hun rare smalle hoofden, hun platte neuzen en die uitpuilende starende ogen. Echte vissenogen. Alle verhalen zijn waar, bedenkt Mackie, over het geslacht van stamvader Obed Marsh. Hoe ze hun vrouwen haalden van verre eilanden en ze lieten paren met zeemonsters.
De mosruimte! Sommige schuilkelders hadden een kleine ruimte waarin mos groeide. Het mos was waar­schijnlijk allang dood, maar er zou wel aarde zijn. Koele, bruine aarde. Leaf liep wankelend de gang in en vond wat ze zocht. Een deur met daarop een groen plantje. Ze trok hem open en direct kwam de muffe lucht van vochtige aarde haar tegemoet. Ze ademde diep in en de duizelingen verminderden. Met haar zaklamp bescheen ze de muren en tot haar verbazing was er nog wat mos aanwezig. Grijzig, armetierig mos, maar absoluut levend. Leaf liet haar handen over de plantjes gaan. Kon dit genoeg zijn? Ze bestudeerde de soort en herkende het kleine ronde blad van grijs kweekmos. Helaas, het was een van de mossoorten die ook op Mars gekweekt kon worden. De aanwezigheid ervan zou geen reden zijn om de aarde te redden.
Zwijgend ging hij hen voor door een fel verlichte gang, met hoge, betonnen bogen, dieper het gebouw in; over een brede trap met hoge ramen, die uitzicht gaven op een enorme volière (waarin prachtige, fel­gekleurde vogels opstegen uit bomen, met gespreide vleugels door de lucht scheerden, weer op lange takken neerstreken) verder naar beneden; langs donker­groene, gesloten deuren waarachter grote hallen lagen waarin enorme kasten stonden, vol schake­lingen, vol elektronen­buizen. Rekken vol trans­formatoren zo groot in aantal dat het zoemen hier hoorbaar was; con­densatoren zo groot dat ze ze nauwelijks in haar handen kon houden. Krachtige computers die meer dan driehonderd jaar oud waren, meer dan vijf jaar geleden uit de Lleroh-universiteit waren gehaald (gestolen!) en drie jaar geleden door de Kiteh hier geplaatst.
De beheersing van het vuur liet toe vlees te roosteren of knollen te poffen. Koken ontstond pas als het kampvuur een gevestigde gewoonte was. Het koken was de eerste chemische praktijk en die was verbonden met pottenbakkerij en later de metaalbewerking. Koken veronderstelde dat men beschikte over met leem bekleed vlechtwerk of mandjes, die het water konden vasthouden en die op het vuur konden worden gezet. Het leem bleek door de hitte bovendien vaster en sterker te worden. Het werd bestand tegen warmte. In het verlengde van deze praktijken ontwikkelde zich dan later de pottenbakkerij als ambacht (‘ambacht’ betekent ‘het rond gaan van mens tot mens in een dorp’; de ambachtsman trok van huis tot huis om zijn diensten aan te bieden). In potten met vloeistof en etensresten kon men ook gistingsprocessen observeren (‘gist’ => ‘geest’). De mensen zagen proefondervindelijk hoe materialen chemisch reageerden door ze in vloeistof te leggen: brood bakken, leerlooien, verven én later brouwen van bier (‘brood’ en ‘brouwen’ stammen af van een wortel ‘bhru’ die betekent ‘zieden, gisten, koken’). Verder produceerde de mens tekens en symbolen, waaronder dus de taal maar ook de eerste kunstuitingen. Die tekens waren én magisch-artistiek (aanzet tot handelen; opwekken van een verlangen of wil om een handeling te verrichten zoals b.v. ‘laten we gaan jagen’) én indicatief-wetenschappelijk (beschrijven zonder echt aan te zetten tot handelen: ‘het regent’). Het magische en het indicatief-beschrijvende zijn nauw met elkaar verweven: in eerste instantie waren ze één, pas in een latere fase zouden ze geestelijk afgezonderd worden van elkaar, zoals nu wetenschap (kennis) en technologie (handelen) zich zelfstandig van elkaar lijken te bewegen.
Je zult je verlangende natuur, wat via de vijf fysieke zintuigen als hoofdsensoren plaatsvindt, verliezen.  Je zult naar hogere niveaus van waarnemen gaan.  Zo zal bijvoorbeeld de smaak bevredigender worden en een dimensie toevoegen die niet langer over plezier gaat, maar meer over de zaligheid van de verbinding met het plantenrijk (meestal).
Na een warm maal van gestoofd konijn en een grote beker sterke thee stalde Harrald zijn vondsten uit op de eettafel: de kunststof plaat, een oude glazen bierpul, een paar lichtverroeste steakmessen met kunststof handvaten, een verweerde autospiegel en een stapeltje vergeelde ‘Autoweek’ bladen.
Ik werp een blik op het codepaneel. Sal heeft er een notitie boven gehangen. In zijn kleine, nette hand­schrift vraagt hij me het kwadraat te nemen van de datum van onze eerste ontmoeting, en van het resultaat de laatste vijf cijfers in te toetsen. Een semi-autonome subsectie van mijn nieuwe lichaam geeft me het antwoord, en ik toets 33849 in, terwijl ik glimlach om Sals methode om zowel mijn geestelijke ver­mogens als mijn geheugen te testen.
Van de fundamentele waarde van zorg dragen als een hoeksteen van het huis van de kultuur kan worden gezegd dat traditioneel in respekt met het voorouderlijke, de verwanten zorg zouden moeten dragen voor het menselijke belang zonder enige verwachting van wederkeer. Tegengesteld aan zorg is er zelfzucht die het ontbreekt aan mededogen en uitmunt in wedijver. Wedijver mag dan een aardig idee zijn om een spelletje te spelen, maar voor het belang van het mededogen kan het schadelijk zijn. Mededogen is niet een simpel sentiment van sympathiseren met de zwakken en behoeftigen. Het is een groot verschil of men neerkijkt op of echt onzelfzuchtig bereid is te leven met. Het maakt een groot verschil alleen met menselijke wezens te voelen en te leven of met de grotere natuur in zijn geheel. Wat is traditie, wie noemen we broeders en zusters, en aan wie hebben we het allemaal te danken? Een enggeestige ziet alleen vrouw en kinderen, zoals ieder zelfzuchtig dier de rest als concurrentie of voedsel ziet. Een ruimdenkende kan intelligenter zijn in het herkennen van zijn eigen belang in dat van vreemden en andere diersoorten en de belangstelling voor andere vrouwen zien als een uitdaging tot emancipatie om gelijke mensen te realiseren. Naar de traditie van de mensheid is er veel verwarring over wat onze wortels werkelijk zijn: zijn we vleeseters die wedijveren met de grootste roofdieren eventueel elkaar eveneens verslindend of zijn we natuurlijke primaten hoofdzakelijk vegetarisch geïnteresseerd levend in vrede en harmonie met de natuur als een soort knutsel-aap. In het bijzonder vanwege de groei van de bevolking wordt het antwoord op de vraag dringend. De leidraad van het mededogen volgend als de sleutel voor het begrip van juiste zorg met het idee van wedijver en zijn zelfzucht als een tegendeel van roofdierachtig belang, kan men logisch vasthouden aan de vegetarische levenswijze als een bereikbaar idee van de toekomst. Het vegetarische is zeker de traditie van de geestelijke discipline die onze huidige kultuur grondvestte en de sympathie met de neanderthaler liefde voor het jagen en verzamelen minder dominant maakte.
‘Jeetje, wat is het koud hier ineens, is de verwarming uitgevallen of zo?’ Miranda huiverde in haar positie­jurk, kwam overeind uit de stoel. ‘Eh, Lau? Gaat het wel? Je ziet echt lijkbleek. Oh sorry, echt, ik had het er niet over moeten hebben, het is allemaal nog zo vers en ik vraag je er gewoon naar met mijn stomme kop.’
Meyago ging opnieuw door zijn dossier. Minaars en minnaressen, van de laagste regionen tot de hoogste standen. Gezonken schepen, gezonken ladingen, scha­duw­levens, onderschat vanwege zijn geslacht. Goud, graan, opiaten, slaven, exotische diersoorten, ver­boden literatuur. Een man zonder onderscheid: Oba, Kiteh, Lleroh, Timbesh, Gehina. Ze schoot over de namen van bedpartners, zijn handlangers (veel Oba-vrouwen, vooral voor het smerige werk) leveranciers, afnemers.
Eén iemand blijven we bij deze schets van de eerste mensengemeenschappen dankbaar als oorspronkelijke inspiratiebron: John Desmond Bernal (1901-1971), wiens geïllustreerde editie van zijn Science in History in 1969 verscheen. Al was slechts een uiterst beperkt deel van zijn werk rechtstreeks voor ons oogmerk nuttig, zijn kijk op de wijze waarop mensen in de prehistorie en de oudheid (en later) de meest diverse technische, psychische en sociale vaardigheden ontwikkelden, heeft ons in die dertig jaar nooit verlaten. Mensen met een encyclopedische kennis missen dikwijls het nodige denkvermogen om creatieve inzichten aan te brengen, bij John Bernal was dit zeker niet het geval. Hij was professor fysica, zijn tijdgenoten noemden hem Sage omwille van zijn onconventionele wijsheid, hij was een scherpzinnig marxistisch denker en korte tijd een leidende figuur van de Britse Communistische Partij. Die telde toen – in de jaren 1920-1950 – nogal wat eminente wetenschappers in haar rangen zoals de evolutiebioloog John ‘J.B.S.’ Haldane, één der grondleggers van de populatiegenetica die Darwin en Mendel samenbracht, en diens leerling John Maynard Smith (pas gestorven in 2004), die de speltheorie binnenloodste in de evolutiebiologie en aan de basis ligt van de zgn. two-fold cost of sex, nl. dat bij seksuele soorten slechts één sekse jongen of kinderen kan baren én dat seksuele selectie soms leidt tot de ontwikkeling van kenmerken die de levenskansen bedreigen. En tenslotte: Sage John Bernal was overtuigd niet-monogaam.
‘Het occulte’ is ook typisch zo’n bangmaak woord van zwaar orthodoxe christenen. Occult is latijns voor ‘verborgen’, en dat is iets waar boze geesten bang voor zijn, en niet verzot op zijn, want de boze geest leeft namelijk door het openlijk pronken, het publieke leven, het verblindend licht, waardoor de demoon zichzelf volvreet. In hun eigen boek, de bijbel, in de Latijnse versie die vooraf ging aan het onstaan van de Engelse versie en andere westerse versies, ging Jezus tot het occulte, waar hij werd begraven in verborgenheid, dus zelfs hun eigen boek in de oudere talen spoort de christenen aan om Jezus te volgen, ook in het occulte, het verborgene. Zelfs ‘gnosis’ is een bangmaak woord in zwaar christelijke kerken. Het wordt gebruikt door lieden die totaal niets afweten van de grondteksten. Jezus waarschuwde letterlijk dat de farizeeers zouden komen om ‘de sleutel der gnosis’ weg te nemen, zodat mensen niet behouden zouden worden. Er is in de oude talen geen behoudenis door het bloed van Jezus of welk ander goocheltruukje dan ook. Er is in de woorden van Jezus alleen behoudenis door de gnosis, door de wet van de gnosis, en door het overwinnen van het kwaad door de gnosis (dus in principe gewoon door het bloed van de vijand, wat wijst op ‘door de demonologie’).
Verder mogen we niet vergeten dat mensen altijd ambivalent en dubbelzinnig gestaan hebben tegenover veranderingen. Aan de ene kant staan we open voor vernieuwingen, voor betere levens- en arbeidscondities, voor een verhoogde levensstandaard en levenskwaliteit (welvaart & welzijn zoals dit heden ten dage heet). En we worden graag verrast door nooit eerder geziene schoonheden, hoe subjectief kleuren en smaken ook mogen zijn. Veranderingen aanvaarden en ondersteunen we gemakkelijker en soms zelfs met enthousiasme wanneer we actief kunnen meewerken aan hun conceptie en implementatie. Aan de andere kant bieden we gewoonlijk weerstand wanneer deze veranderingen ons opgedrongen worden en we ze passief moeten ondergaan,  of wanneer het risico op “verlies” of “kosten” groter is of lijkt dan de verwachte “winst” of “baten”.
Er was in den beginne bij de eerste mensen hoogstwaarschijnlijk geen zoeken naar bevrediging als afzonderlijke psychische beleving (‘heb ik het goed gedaan?’), zoals wij nu seks ervaren. Seks was vooral een kwestie van ruiken, niet van het maken van mentale voorstellingen. We hebben in het voorgaande er wel op gewezen dat met het incestverbod en met het opduiken van een tijdsspanne tussen verlangen en daad, m.a.w. met de vorming en de gewaarwording van het verlangen als dusdanig, ruimte ontstond voor allerhande fantasieën. In de seksuele opwinding werd het visuele element dan ook belangrijker, vooral bij mannen die mobieler waren, zich verplaatsten om vrouwen op te zoeken en dus zich in de zo tot stand komende contacten vooral op visuele aanwijzingen oriënteerden. We zien dan ook dat het uiterlijk van een potentiële partner bij tegenwoordige mannen veel belangrijker is dan bij vrouwen die zelf meer belang hechten aan de geur. Maar hoe dan ook, in zijn geheel genomen werd seks bij de eerste mensengemeenschappen dus niet echt onderdrukt, wat overigens aansluit bij Sarah Hrdy’s bevinding dat in tegenwoordige matrilokale samenlevingen zowel premaritale als extramaritale seks gepermitteerd waren. Aansluitend bij de vraag naar de onderdrukking van seks, is de vraag: werd agressie bij kinderen onderdrukt? We menen van wel, maar niet hardhandig. Kinderen werden zodra ze een zekere sterkte hadden bereikt, afgeleerd te ‘spelen’. Het spel is immers in veel gevallen een agressieve bezigheid, een ‘tegenover’ de dingen staan, en ook vechten met kameraadjes is dat. Jongens werden snel ingepast in de wereld van de volwassenen en geleerd ‘samen’ serieuze dingen te doen, op te gaan in de coöperatieve bezigheden van de stam (samen jagen of voedsel zoeken, samen eten). Naarmate in een later cultuurstadium oorlog belangrijker werd, werd het vechten als mannelijke activiteit meer toegelaten, maar nu nog valt het op dat het vooral moeders zijn die er moeite mee hebben dat hun kinderen vechten met anderen, terwijl vaders daar veel minder aanstoot aan nemen. Niet zo onbegrijpelijk echter: het begrip vrouw staat cultuurhistorisch voor ‘samen’ (fusie met anderen en met de dingen, in het bijzonder met haar kind; opgaan in iemand of in iets), man staat voor ‘tegenover’ (agressie). Vandaar ook dat wetenschap, de productie van kennis (als een ‘tegenover’ relatie t.o.v. de ‘objecten’), een mannelijke uitvinding was.
Het woord auctor vinden we terug in onze aanduiding van een schrijver als auteur. Dit lijkt tegenstrijdig met de betekenis van de ‘auctor’ als woordvoerder van iemand anders of van een groep. Wij leven in de waan dat de schrijver in hoogst persoonlijke naam spreekt, meer zelfs dat hij spreekt (schrijft) op een wijze dat niemand anders kan. Oorspronkelijk werden schrijvers van boeken echter geacht juist niet in naam van zichzelf te spreken. Een boek werd in veel gevallen ingefluisterd door de Muze, in opdracht van een machtige persoon geschreven (die zelf niet kon schrijven, de koningen tot de 16de-17de eeuw bv.). De ideeën die werden neergepend waren deze van een groep van individuen. In die zin was de schrijver dus een ‘auctor’ en zeker niet iemand die aan de ‘allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’ deed. Dat soort schrijver treedt eigenlijk pas op met de romantiek in de 18de-19de eeuw. En in die zin kon Jacques Derrida er terecht op wijzen dat de auteur, de schrijver, niet verwijst naar de psyche of identiteit van een persoon maar dat teksten steeds betrekking hebben op andere teksten (de zogenaamde intertekstualiteit).
‘Schaamteloos,’ zei Beijjun Niam zacht. ‘Een grof misbruik van Kiteh-privileges. De Lleroh hebben het recht Yuun Kuhalin aan een eigen verhoor te onder­werpen, vóórdat de Kiteh besluiten hem te doden. Hij had hier nooit terecht mogen komen.’
Men (buitenaardse intelligentie)had er echter niet op gerekend dat de wezens de aardse overlevings drang, wat in de dieren door evolutie en soortbehoud aanwezig is, niet konden loslaten. Door het toedienen van meer intelligentie dacht men dat deze zelfde intelligentie, genoeg was om zich te ontplooien tot een goede vorm van planeet beheersing door een wezen.
32. 30 deze conclusie: je bent verslaafd. De hulpverlener reageerde verbaasd dat wij het niet eerder door hadden. We hadden hem wel uitgekozen omdat hij gespecialiseerd is op dat gebied.” “hoge mobiele telefoonrekening of ik stelde een vraag over verdwenen geld.” “openbaring van God in een droom” “Hij stortte in toen zijn geheime sexdate niet doorging en moest toen wel bekennen” “Het kwam aan het licht door dat misbruik aan het lichtkwam” Maar hoe de seksverslaving ook aan het licht komt, een dergelijke onthulling zet je relatie op zijn kop. Alle verwachtingen en ideeën die je hebt over je huwelijk en relatie staan plotseling onder druk. Tip voor de verslaafde Bij het onthullen van de seksverslaving is het enorm belangrijk dat de verslaafde zelf het geheim openbaart: wacht niet tot het vanzelf uit- komt. Er is geen goed moment om dit te doen; het heft in eigen hand nemen is echter niet alleen beter voor jezelf en je eigenwaarde, maar ook voor de slagingskansen van de relatie. Op inhoudsniveau is de boodschap een klap in het gezicht, op betrek- kingsniveau is de boodschap: ‘Ik vind mezelf, jou en de relatie zoveel waard dat ik dit moest doen: ik wil niet langer met het geheim blijven leven.’ Ook al is de impact net zo hevig als wanneer de verslaving op een andere manier uitkomt, het zelf onthullen van het geheim geeft een betere startpositie om de relatie te redden en te versterken.
De al in Zweden aanwezige toestellen uit de A-serie zijn in 1945 nog aangevuld met C-toestellen die door gevluchte Duitse piloten daarheen werden meegenomen. Het gaat hier om een twaalftal exemplaren, waarmee nog tot eind jaren vijftig is gevlogen. Bulgarije kocht voor haar luchtmacht 12 Fi 156C’s, welke aan het oostfront zijn gebruikt. Verder zijn de C’s gebruikt door Kroatië (2), Frankrijk (64), Hongarije (4), Italië (ca. 15), Roemenië (ca. 45), Slowakije (12) en Spanje (20).
Ik heb het meegemaakt dat aan de toog van dat KultuurKaffee twee jongeren (studenten ongetwijfeld) ietwat luidruchtig (zoals het daar paste) zaten te discussiëren met een oudere man met grijs haar. Het ging over kernenergie, geloof ik. Na een uur of zo waren ze op een dood punt gekomen en vroeg één van die studenten aan de ouwe heer: “Wie zijt gij eigenlijk?” Gij dus, niet U! “Ik ben hier de rector,” zei ie alsof hij zei: “Hmm, die pint smaakt me.” Dat was Oscar Steenhout in 1987, of zo.
Ik heb een vijver mijn hele leven wilde. Toen ik zeven was ik smeekte mijn moeder om me te laten bouwen een. en hield bedelen voor de komende negen jaar. Toen ik zestien, ze eindelijk zei ja. Vijf minuten later was ik in de achtertuin met een schop.
Er kan meer harmonie in dit lichaamsgebied zijn.  Dit zal op een of andere manier versnellen.  Als je hier niet vreselijk geblokkeerd bent, kun je meer energieopstapeling voelen in dit deel van het lichaam.  Dit zou een toename van seksuele kundalini energie kunnen vrijgeven.  Dit kan in deze tijd je verlangen naar seks versnellen.  Het kan op een geaarde manier ook gevoelens van meer levendigheid in het lichaam opwekken.
Socialisten kampen nog met een andere handicap bij een eventuele keuze voor een heroriëntatie op brede sociaaleconomische thema’s. In zekere kringen die zich “progressief” noemen en die in principe deel zouden kunnen uitmaken van de socialistische achterban, heerst een regelrechte afkeer voor alles dat met “economie” te maken heeft. Het woord alleen al roept misprijzen op. Zelfs “economische groei” vinden ze maar niets: ze associëren het met tomeloze kapitalistische hebzucht, onverantwoordelijke bankiers, lobbying, milieurampen, corruptie en aanverwanten. Deze “progressieve” kringen behoren veelal tot de iets betere middenklasse en zijn veelal werkzaam in de zorg, het onderwijs of in de sociaal-culturele sector (verpleegkundigen, leerkrachten, opvoeders, sociale werkers, kunstenaars en schrijvers, journalisten, enzovoort). Mensen dus met een grote “ideologische” invloed op een breed publiek. “Cultuur” is als waarde voor hen ver verheven boven “economie”. En zij beweren nog wel eens dat “kunst de wereld kan redden”. Alsof cultuur geen economische sector is. Hoeveel op winst belust kapitaal circuleert er ondertussen niet in de wereld van “kunst & cultuur” (en sport!)?
Om te verwijzen naar die vormloosheid en naar de geheimzinnige, onkenbare en onherkenbare kracht die ergens in haar moet schuilen, hanteren mensen diverse woorden en namen. Die zijn gemakkelijk inwisselbaar en we gebruiken ze soms nogal lukraak dooreen. Zelfs in de kringen van de Oude Grieken circuleerden reeds meerdere aanduidingen en omschrijvingen. Doorgaans gaan onze gedachten dan naar de Griekse mythologie, die ons vertelt over de metamorfose van de “chaos” tot een “kosmos”, een soort goddelijk/menselijke operatie gerealiseerd door een of de demiurg (de “werker voor het volk”; dèmos=volk + ergon=werk) op een vormloze “chaos”. “Chaos” staat in onze woordenboeken doorgaans omschreven in termen als de “ongevormde massa vóór de schepping van de wereld”. Maar etymologisch staat het Oudgriekse woord khaos voor zoiets als een “gapende leegte”, een “kloof of afgrond die als een leegte wijd open gaapt”. Het heeft een indogermaanse (“Proto-Indo-Europese”, luidt het tegenwoordig) taalwortel die ook teruggevonden kan worden in de synonieme Griekse werkwoorden khainein en khaskein, met als betekenis: “de mond wijd openen, gapen of geeuwen”. De chaos is m.a.w. een gat, een “zwart gat” als het ware. En die chaos werd door de demiurg omgevormd tot een “kosmos”, een “versierde chaos”. De demiurg heeft de wereld sier en tier bezorgd, hij heeft haar getooid, opgetuigd en opgesmukt. De demiurg heeft het ongeordende en het vormloze een gelaat gegeven – “sier” betekent etymologisch ”(vriendelijk) gelaat” en onze term “cosmetica” is een neologisme dat rechtstreeks van het Griekse “kosmos” is afgeleid. Het Griekse “chaos” valt samen met ons Nederlands ietwat ongebruikelijk woord “baaierd” (warboel, wanorde), dat in een paar historische Bijbelvertalingen werd aangewend als vertaling van het Hebreeuwse woord “tohu”, de lege, braakliggende of woeste aarde vóór de Schepping, zoals dat in Genesis maar ook elders in de Bijbel voorkomt. Sommige Oudgriekse filosofen hanteren ook graag het begrip “apeiron”, dit is het Onbepaalde, het Oneindige of het Onbegrensde. Het woord betekent eigenlijk “dat wat niet omsloten of begrensd is en daardoor dus eindeloos is”, met dezelfde wortel als het woord “peirar”, dat staat voor een touw of een strik waarmee iets omsloten en begrensd wordt. Mogelijk hadden deze filosofen zoiets als een oorspronkelijk uitgestrekt, open, onbewerkt en onbewoond landschap voor ogen dat met behulp van hulpmiddelen als touwen en palen werd opgedeeld in aparte percelen, kavels of erven die ter verbouwing aan afzonderlijke huishoudens van de stam werden toegewezen, nadat die stam van een nomadisch op een meer sedentair, “(pre-)stedelijk” bestaan was overgestapt.
Laura draaide zich met een ruk om, gezicht naar de gesloten deur van het kantoor. Daarbuiten lag de gang, de toegang naar wat de babykamer was geweest. Achter haar de douche en het toilet. Beide had ze net van dichtbij gezien en ze waren leeg geweest. Dan bleef alleen de slaapkamer nog over.
Het was vroeger zo dat alleen de hospik er 1 had waar hij een clock in had zodat hij zich zelf mee kun beschermen en zijn gewonde militair die hij aan het helpen was nu is het zo dat de hospikken ze allemaal in moesten leveren omdat ze daar voor in de plaats een Diemco hebben gekregen en dat ze allemaal naar het operationeel personeel is gegaan zoals infanterie.
Er wordt ingegaan op de theoretische en praktische Problemen bij het geven van voorlichting. Tenslotte wordt het twee avonden durende project met de daarbij gehanteerde hulpmiddelen (opdrachten, diaserie) beschreven.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *